Organisatie en bestuur vanuit bestuurlijk juridisch perspectief

Download deze tool als PDF

een update van de ontwikkelingen van 2018-2022

Dite Husselman, juli 2022

1.  Inleiding

In 2018 zijn na uitgebreid onderzoek de rapporten Velzel over samenwerking in de huisartsenzorg/eerste lijn opgeleverd. Vervolgens heeft de NZa nieuwe betaaltitels O&I vastgesteld. Sindsdien is er veel gebeurd op het gebied van organisatieontwikkeling, bestuurlijke professionalisering en samenwerking in de eerste lijn en huisartsenzorg. Op verzoek van LHV, NHG en InEen beschrijft Dite Husselman in dit artikel de belangrijkste organisatieontwikkelingen in de eerstelijnszorg vanuit een bestuurlijk juridisch perspectief.

Allereerst worden de organisatieontwikkelingen die voor een deel het gevolg zijn van de huidige dynamiek in de eerste beschreven. Vervolgens komen de onderwerpen schaalvergroting door fusies, herijking van de statuten en de (gewenste) betrokkenheid van zorgverleners bij de organisatie aan de orde. Het artikel start met een theoretische omschrijving. Het bevat ook voorbeelden met de ervaringen en geleerde lessen van collega-bestuurders. Ieder deelonderwerp wordt afgesloten met praktische tips.

Uit de vele vragen die over deze onderwerpen binnenkomen bij de koepels blijkt dat er behoefte is aan kennis, maar ook aan ‘leren van elkaar’ door het delen van ervaringen. Dit artikel levert hieraan een bijdrage en geeft voeding voor (regionale) gesprekken over dit onderwerp.  

2.  Verbreding, verdieping en versterking

De periode 2018-2022 kenmerkt zich onder andere door de gevolgen van de O&I financiering, zoals regionalisering, schaalvergroting, participeren in netwerken, en wijkgericht werken. Tegelijkertijd betekent de O&I een herschikking van middelen en daarmee voor andere organisaties een afbouw van hun financiering en de noodzaak tot het zoeken naar partners. Deze tendensen zijn terug te zien in de ontwikkelingen bij eerstelijnsorganisaties.

In de eerste plaats zien we een verbreding in het portfolio. Dit betreft uitbreiding van de zorgprogramma’s met GGZ en zorg voor (kwetsbare)ouderen, de verbinding tussen zorgroepen en de avond-, nacht- en weekendzorg.
In de tweede plaats zien we een verdieping van de bovenstaande thematiek. De ketenzorg beweegt naar geïntegreerde zorg en daarmee naar een integrale aanpak. Een intensievere verbinding met de gemeente en sociaal domein en een benadering vanuit populatie- en wijkgericht werken zijn een logisch gevolg. Deze verdieping behelst in veel gevallen ook een bredere oriëntatie op de andere eerstelijnsdisciplines en daarmee krijgt de multidisciplinariteit meer vorm.
In de derde plaats zien we bij veel organisaties én netwerken de behoefte om meer als één aanspreekpunt met een eenduidig profiel en daarbij behorende slagkracht naar buiten te treden. Deze verbredings-, verdiepings- en versterkingsoperaties zijn in het hele land herkenbaar.

Gezien de maatschappelijke opgave – groei (complexe) zorgvraag, kostenbeheersing in relatie met arbeidsmarktproblematiek – vragen veel organisaties zich af of zij voldoende toegerust zijn om deze problematiek het hoofd te bieden. Hebben we de juiste schaal, hoe brengen we de versnippering verder terug en hoe kunnen we de zorgverleners (nog) beter ondersteunen in hun dagelijkse werk. Samenwerkingen komen tot stand en vroeg of laat ontstaat dan de vraag of de samenwerking ook geformaliseerd kan of moet worden. Dit in samenhang met nieuwe wetgeving, zoals de Wet Bestuur en Toezicht in Rechtspersonen en de Wet Toelating Zorgaanbieders, stelt veel organisaties voor vragen over hun organisatie vanuit het bestuurlijk juridische perspectief[1].

3. Schaalvergroting door fusies

Overzicht van rechtspersonen

Zoals alle organisaties hebben eerstelijnsorganisaties een rechtspersoon opgericht die als juridisch construct allerlei (rechts)handelingen kan verrichten. Rechtshandelingen zijn bijvoorbeeld arbeidscontracten aangaan, overeenkomsten sluiten (zoals met de zorgverzekeraar) en financiële verplichtingen aangaan en daar een administratie voor voeren. Een rechtspersoon wordt vertegenwoordigd door een bestuur. Zo’n bestuur kan ook weer een andere rechtspersoon zijn of bestaan uit een of meerdere natuurlijke personen: de bestuurders. Hoe het werkt is afhankelijk van de rechtspersoon en staat uitgewerkt in de statuten. De statuten zijn een soort handboek waarin doel, procedures, verantwoordelijkheden e.d. van de organisatie zijn beschreven.

Rechtspersonen
Kenmerken (Boek 2 BW) Vereniging Coöperatie B.V. Stichting
Leden Ja ten minste 2 Ja ten minste 2 Nee Nee
Aandelen Nee Nee Ja 1 of meer aandeel­houders Nee
Bestuur Ja Ja Ja Ja
Algemene vergadering Ja Ja Ja Nee
Raad van commissarissen WTZa leidend Mogelijk Mogelijk Mogelijk Mogelijk
Doel vrij bepaalbaar Ja Nee bedrijf/over­een­komst Ja Ja
Vrije toe- en uittreding Ja Ja Nee N.v.t.

In juridische zin vertalen veranderingen als regionalisering en schaalvergroting zich veelal in fusies. Fusies tussen zorggroepen en de huisartsenposten,[2] fusies tussen zorggroepen of huisartsenposten onderling en fusies met bijvoorbeeld de LHV-kring.[3] Fusies met als doel de portfolio te verbreden, de samenwerking te verdiepen of de organisatorische versnippering om te buigen naar versterking. Deze fusiegolf loopt parallel aan de ontwikkeling naar regio-organisaties. Het betreft hier met name de monodisciplinaire huisartsenorganisaties. Daarnaast zien we in de grote steden, waar vaak meerdere grote multidisciplinaire gezondheidscentra (koepels) zijn, allerlei vormen van allianties, federaties of specifieke O&I organisaties ontstaan.

De vormgeving

De fusie kan op verschillende manieren tot stand worden gebracht. Bij een fusie tussen twee rechtspersonen van dezelfde soort kan een juridische fusie volstaan, terwijl een fusie tussen twee verschillende rechtspersonen vaak wat meer voeten in de aarde heeft. Hier volgen een aantal mogelijkheden voor het samengaan van een coöperatie met een holding BV – als veel voorkomende juridische vorm - en een stichting (bijvoorbeeld voormalige gezondheidscentrakoepels).  

De bestaande situatie

Samen een nieuwe rechtspersoon

De coöperatie met BV en de stichting kunnen een nieuwe rechtspersoon oprichten en daarin vooralsnog de zaken onderbrengen die men in gezamenlijkheid uitvoert, bijvoorbeeld innovatieprojecten. Daarna kunnen stap voor stap de bestaande activiteiten in de nieuwe rechtspersoon worden geplaatst. De coöperatie en de stichting vormen dan samen het bestuur van de nieuwe entiteit.

Een gezamenlijke start

Een andere mogelijkheid is dat de twee rechtspersonen opgaan in een nieuwe rechtspersoon en op gelijkwaardige wijze een start maken.

Een overname

Tot slot kan ervoor worden gekozen om de stichting in zijn geheel op te laten gaan in de bestaande coöperatie. De vraag daarbij is wel welk effect dit heeft op de samenstelling van het ledenbestand van de coöperatie.

Een juridische fusie

Zoals gezegd is bij een samengaan van twee dezelfde rechtspersonen een juridische fusie mogelijk. Dan blijft een van de partijen als vorm bestaan en wordt het vermogen van de andere fusiepartner onder algemene titel overgedragen. Je kunt ook samen een nieuwe rechtspersoon oprichten en de activa en passiva aan deze nieuwe rechtspersoon overdragen. Dit is vanuit het fiscale perspectief echter ingewikkelder.

Bij een juridische fusie zijn wettelijk vier stappen voorgeschreven, waaraan strikte voorwaarden zijn verbonden. De stappen zijn:

  • Voorstel tot fusie
  • Ter inzage leggen van dit voorstel
  • Het besluit tot fusie
  • Verlijden van de notariële akte van fusie en inschrijving in het handelsregister.

Voorbeelden

De huisartsen in Zaanstreek Waterland hebben het afgelopen jaar verschillende organisaties bij elkaar gebracht. Onder de coöperatie Huisartsen Zaanstreek Waterland zijn drie BV’s (zorggroep, huisartsenpost en faciliteren dagzorg) in één organisatie samengevoegd. Al langere tijd werkten de organisaties met elkaar samen. Met de fusie wordt de ingezette koers van samen optrekken nog duidelijker. Verder geeft de directeur aan de opbouw van een netwerk in de wijken te intensiveren en uit te breiden.
Het creëren van één aanspreekpunt en het ontwikkelen van wijkgericht werken zijn dus belangrijke motieven voor de fusie. Door het betrekken van gezamenlijke huisvesting (eind 2021) wordt het samengaan ook zichtbaar.

In Zeeland is de fusie van de Zeeuwse Huisartsen Coöperatie (huisartsenpost, POH GGZ, facilitair) en Periscaldes een feit. Daarmee zijn spoedzorg en de ketenzorg in een organisatie verenigd. Dit type fusie zien we veel: de verschillende huisartsenorganisaties in een regio die zich met elkaar verbinden. In dit geval is er een stap aan voorafgegaan. Periscaldes is sinds 2017 een fusieorganisatie van drie kleinere zorggroepen. Soms is zo’n tussenstap nodig om tot een regionale organisatie te komen. Met deze laatste stap zijn de huisartsen van Walcheren, De Bevelanden en Schouwen-Duiveland verenigd in één aanspreekpunt. Daarbij heeft de O&I financiering, zo geeft men zelf aan, ten behoeve van het versterken van de organisatiekracht het laatste zetje gegeven.

Praktische tips

1. Doorloop als potentiële samenwerkingspartners de volgende fasen bewust:

  • We houden het zoals het is. Onze samenwerking is incidenteel en ad hoc.
  • We gaan intensiever samenwerken op afgesproken onderwerpen en blijven binnen de structuur van onze eigen organisatie.
  • We gaan samenwerken vanuit een regionale organisatie.

    NB 1: Realiseer je dat de keuze van de tweede optie na twee jaar achterhaald kan zijn en dat de stap naar optie drie dan genomen moet worden. Iedere fase van samenwerking heeft zijn eigen dynamiek. Neem de achterban in dit proces mee.

    NB 2: Het proces kan bij de eerste twee opties vaak getrokken worden door de directie of de RvB, eventueel met ondersteuning. Gaan samenwerken vanuit een regionale organisatie vraagt meestal expertise op juridisch gebied en procesbegeleiding. Schakel op tijd een notaris en fiscalist in en voorkom daarmee dat zaken dubbel gedaan worden.

2. Begin de samenwerking vanuit de inhoud.

Thematisch op grote onderwerpen in kleine projecten. Bijvoorbeeld:

  • Arbeidsmarkt: gezamenlijk stageplekken organiseren
  • Zorgvernieuwing: een gezamenlijke scholing
  • ICT: een landelijk project zoals OPEN samen oppakken

3. Gebruik de samenwerking die mogelijk rond corona is ontstaan als versneller.

4. Formuleer gezamenlijk ambities naar de toekomst toe, bijvoorbeeld:

  • Continuïteit van zorg
  • Multidisciplinaire zorg in de wijk
  • Combineren ketenzorg met organisatie en ondersteuning van praktijkmanagement
  • Samen opleiden van verpleegkundig specialisten

5. Openheid tussen directieleden over de positie na de fusie is een van de succesfactoren in het fusieproces. Dit kan in verschillende scenario’s:

  • Er is al vastgesteld (en door wie) dat twee directies in gezamenlijkheid de nieuwe directie vormen. Vereist is dat de fte omvang en de competenties compatibel zijn.
  • Een van de directieleden geeft aan te vertrekken (interim, leeftijd) en het overblijvende directielid wordt als ‘interne’ kandidaat beschouwd.
  • Fusiepartijen stellen vast dat een nieuwe procedure tot het benoemen van een directie noodzakelijk is. De procedure wordt opgesteld als de kwestie nog niet urgent is. Positie van zittende directieleden wordt daarin meegenomen: voorrang, als interne kandidaat etc.

6. Regel de positie van de toezichthouders ruim voor de gewenste fusiedatum. Met de invoering van de Wtza (1 januari 2022) is het hebben van toezicht direct bij de fusiedatum in veel gevallen verplicht. De scenario’s kunnen zijn:

  • Een collectief aftreden van de toezichthouders en benoemen van een nieuw gremium Toezicht.
  • Een sollicitatie onder de zittende toezichthouders met als doel tot een nieuw evenwichtig samengesteld gremium Toezicht te komen.
  • Een samenvoegen van de raden en een rooster van aftreden opstellen waarmee in 1 à 1,5 jaar de gewenste omvang en samenstelling bereikt is. De toezichthouders mogen de maximale zittingstermijn van 8 jaar (in voorafgaande en komende organisatie) niet overschrijden.

4. Herijking van de statuten

Dat een fusie gepaard gaat met nieuwe statuten is vanzelfsprekend, maar ook zonder grote structuurwijzigingen is wat meer aandacht voor de statuten zinvol. Een regelmatige controle tussen enerzijds de ontstane werkwijze en anderzijds de inhoud van statuten en reglementen, voedt het bewustzijn en de gedachtenvorming over goed bestuur.

Voor velen zijn de recente wetswijzigingen in het burgerlijk wetboek boek 2 (WBTR), de invoering van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) per 1 januari 2022 en de aanpassingen in de Governancecode Zorg 2022 aanleiding om de statuten ‘ter actualisering’ voor te leggen aan de notaris. Vaak blijkt dat veel wetswijzigingen al opgenomen zijn in de statuten. Een wetsverandering is een langdurig traject en notarissen anticiperen daar vaak al op bij het opstellen van statuten. Meestal zijn de statuten met wat kleine tekstuele veranderingen weer up to date, tenzij ze al langere tijd niet zijn bekeken. Met de bovengenoemde wijzigingen in wet- en regelgeving zijn de volgende onderwerpen opgenomen dan wel aangescherpt: taak en rol van bestuurder en toezichthouders zijn voor alle soorten rechtspersonen hetzelfde, zittingstermijn van toezichthouders, regelgeving rond het tegenstrijdig belang en meld- en vergunningplicht voor zorgaanbieders, e.d..

Zo’n actualisering van de statuten is een goede aanleiding om de statuten in de breedte te beoordelen. De eigen organisatie bevindt zich immers in een andere fase dan bij de oprichting. Destijds waren bevoegdheidsverdelingen soms gebaseerd op veel ruimte voor leden of zelfs wantrouwen. Bij fusieorganisaties zie je nog wel eens in de statuten terug dat de eigen herkenbaarheid of verworven rechten de bovenhand voeren boven slagkracht en eenduidigheid. Een van de geportretteerde organisaties voor de ‘Voorbeelden van bestuur­­lijke inrichting in regio’s’ in de toolbox (3. Een vennootschap waarvan drie regionale coöperaties aandeelhouder zijn) memoreerde al dat de haalbaarheid soms de efficiëntie en slagkracht in de weg heeft gestaan.

Om behulpzaam te zijn bij het lezen en beoordelen van de statuten geven we hier respectievelijk de opbouw en verschillen van een statuut voor coöperatie en BV holding weer. Vervolgens kijken we naar de werking van een zogenaamd schakelartikel en sluiten we af met een voorbeeld van de aanpak van een actualisering van de statuten en geven we een aantal tips.

Opbouw van statuten

Elke organisatie kent statuten waarin de inrichting van de organisatie en alle formele zaken rond zeggenschap en bevoegdheden geregeld zijn. De structuur van de huisartsenorganisatie is op veel plaatsen zoals hieronder afgebeeld.

Dit betekent dat er per definitie twee statuten zijn: een van de coöperatie/vereniging en een van de BV. De terminologie in die statuten is soms dezelfde, maar duidt verschillende zaken.

Terminologie Coöperatie/vereniging Vennootschap in taalgebruik,
meestal BV of Holding
Zeggenschap Hoogste orgaan Algemene vergadering (zo staat het in het Burgerlijk wetboek) of algemene ledenvergadering (ALV)
De leden die lid zijn, de voorwaarden om lid te kunnen worden staan in de statuten.
Algemene vergadering van aandeelhouders (AVA)
De coöperatie is aandeelhouder en deze wordt vertegenwoordigd door het coöperatie bestuur.
Bestuur Coöperatie bestuur. De raad van bestuur; vaak directie genoemd.
Toezichthouders (RvC) Als de coöperatie/vereniging alleen fungeert als aandeelhouder zijn er meestal geen toezichthouders. Commissarissen; Onafhankelijk; Benoeming, ontslag en schorsing door AVA.
Werkwijze Coöperatiebestuur legt aantal statutair beschreven besluiten voor aan de ledenvergadering. De directie legt aantal statutair beschreven besluiten voor aan AVA of/en aan de RvC.

In een van de eerste artikelen van elk statuut staat het doel van de organisatie. Het is van belang dat doel voor ogen te houden, want dat is het bestaansrecht van de organisatie.

Bij huisartsencoöperaties staat er vaak iets over het (doen) leveren van zorg en een opmerking over de kwaliteit van zorg. Vervolgens wordt een aantal artikelen gewijd aan de leden en voorwaarden daarbij (rechten, plichten, eindiging lidmaatschap etc.). In artikel 10 of 11 staat meestal hoe het bestuur geregeld is. De omvang, de wijze van vergaderen en besluitvorming etc. Dan volgt een artikel waarin gesteld wordt dat het bestuur de goedkeuring van de algemene ledenvergadering nodig heeft voor ……, en dan volgt een opsomming van zaken.

Let wel: het bovenstaande betreft allemaal de zaken in relatie tot de coöperatie. Dit gaat dus niet over de BV/holding waar de bedrijfs- en zorgonderdelen in opgenomen zijn. Daar is de coöperatie aandeelhouder van, maar de regelingen daaromtrent zijn opgenomen in de statuten van de BV/holding.

Voorbeelden

Een uiterst actuele vraag in het land betreft het al dan niet uitbreiden van de kwalificaties die aan de leden worden gesteld. Van oudsher zijn de zorggroepen door praktijkhouders opgericht, waarbij het economisch belang ook een rol speelt. Immers, steeds meer financiën voor de eigen praktijkvoering verlopen via het samenwerkingsverband. En de verwachting is dat dit nog meer zal worden.

Bij de huisartsenposten is al langere tijd duidelijk dat de continuïteit van zorg geborgd is door de inzet van niet-praktijkhouders. Dan volgt al snel het dilemma of de waarde ‘continuïteit van zorg’ geborgd kan worden door de waarnemers terwijl deze geen part of deel uitmaken van de organisatie waarin huisartsenposten en zorggroepen steeds meer samengevoegd worden. Het komt voor dat niet-pratkijkhouders zitting hebben in commissies van de spoedpost, maar in de ledenvergadering nog geweerd worden of geen stemrecht hebben. Het gesprek hierover komt wel op gang. Om dit te faciliteren hebben LHV, NHG en InEen de Handreiking voor het betrekken van alle huisartsen uitgebracht. [4]

In de statuten van de BV/holding wordt ook eerst weer het doel benoemd, daarna volgen meerdere artikelen over de aandelen. Dit zijn vaste teksten die in een huisartsenorganisatie meestal geen grote rol spelen. Vervolgens komt het bestuur van de Vennootschap (BV/Holding) aan de orde. In het dagelijkse taalgebruik is dit de directie, soms noemen de statuten dit ook zo. In de omgangstaal wordt ook wel de term Raad van Bestuur gebruikt. Het betreft in ieder geval een eindverantwoordelijk bestuur van de BV/Holding.

De bevoegdheden van dit bestuur zijn als volgt begrensd:

  1. De wet kent de aandeelhouders een aantal bevoegdheden toe. Die zijn ook vaak in de statuten opgenomen. Denk aan het benoemen en ontslaan van toezichthouders en bestuurder van de BV/Holding, het wijzigen van statuten, de jaarrekening en dergelijke.
  2. Daarnaast staat er in de statuten (meestal ook als een artikel 16 of 17) een lijst met opsommingen waarvoor het bestuur/de directie de goedkeuring van de algemene vergadering (= AVA) nodig heeft. Deze AVA is de coöperatie als aandeelhouder en wordt vertegenwoordigd door het coöperatiebestuur. Hier staat vaak het jaar– of meerjarenplan.
  3. Naast de lijst van opsommingen in de statuten staat er meestal een volgend artikel: ‘De algemene vergadering (van aandeelhouders) is bevoegd bij een daartoe strekkend besluit, besluiten van het bestuur aan haar voorafgaande goedkeuring te onderwerpen. Die besluiten dienen duidelijk te worden omschreven en schriftelijk aan het bestuur te worden meegedeeld.’ Dit betekent dat de aandeelhouder, de coöperatie, de bestuurlijke ruimte van de directie verder kan beperken. Als zo’n lijst er al is, wordt deze vaak opgenomen in het directiereglement.
Een schakelbepaling tussen de BV/holding en het coöperatiestatuut

Soms is in die lijst met de goedkeuringen door de ALV (de nummer 2 van bovenstaande opsomming) een zin als volgt opgenomen. ‘Het uitbrengen van een stem in een algemene vergadering van aandeelhouders van een vennootschap waarvan de coöperatie aandeelhouder is.’

Dit betekent dat wanneer het coöperatiebestuur in zijn rol van aandeelhouder een formele stem moet uitbrengen over een voorgenomen besluit dat de directie voorlegt in de BV/holding, deze eerst voorgelegd moeten worden aan de ALV. In de praktijk betekent dit veelal dat er enorme detaildiscussies ontstaan in de ALV over operationele uitvoeringszaken, die in veel gevallen beter aan andere tafels gevoerd kunnen worden (zie betrokkenheid van leden).

De relatie tussen verschillende bevoegdheden

Soms opteren huisartsen voor een maximum aan zeggenschap in hun coöperatie. Het gevolg is dat de lijst, zoals onder bovenstaande opsomming onder 3 bedoeld, heel detaillistisch wordt opgesteld.

Er staan dan zinnen in als ‘De directie ontvangt van het bestuur een algemene en specifieke taakopdracht en is verantwoording verschuldigd aan het bestuur.’ Of ‘Alles waarvan de algemeen directeur verwacht dat het een grote impact heeft op de individuele huisarts in zijn praktijkvoering moet worden voorgelegd aan de aandeelhouder.’ Het behoeft geen betoog dat de directeur dan wel heel veel zaken moet voorleggen aan de aandeelhouder (lees coöperatiebestuur).

Als dan een schakelbepaling opgenomen is in de statuten van de coöperatie waardoor het coöperatiebestuur in zijn rol van aandeelhouder alle uit te brengen stemmen in de AVA moet voorleggen aan de algemene ledenvergadering (ALV), dan is het handelen van de BV directie wel erg begrensd. En dit kan de slagkracht van de organisatie aantasten.

Voorbeeld proces rond statutenwijziging

In een kleinere huisartsenorganisatie met een brede portfolio is het coöperatiebestuur gewend om maandelijks met de directie van de holding om tafel te zitten en alle zaken van coöperatie en holding door te nemen. Dit coöperatiebestuur heeft veel bevoegdheden waardoor de leden van de Raad van Toezicht en ook de directie niet goed in hun rol komen. Dit leidt soms tot onduidelijke besluitvormingsprocessen.

In een evaluatiebijeenkomst over het bestuurlijke acteren stellen alle betrokkenen een governancecommissie in met de opdracht de hele topstructuur opnieuw tegen het licht te houden. De commissie bestaat uit een toezichthouder, een van de coöperatiebestuurders en de bestuurssecretaris. Er volgt een advies over een gewenste invulling van rollen én een aanbeveling om de statuten en het reglement te herijken. Het feit dat een actualisatie van statuten in verband met wet- en regelgeving toch nodig is, lijkt een goed moment om de bevoegdheden van de gremia gelijk mee te nemen. De commissie gaat aan de slag en het coöperatiebestuur wordt regelmatig geïnformeerd over de voortgang.

Met name bevoegdheden die door het coöperatiebestuur in zijn rol van aandeelhouder moeten worden voorgelegd aan de ledenvergadering worden genuanceerd en teruggebracht (m.b.v. de schakelbepaling). Het coöperatiebestuur krijgt hiermee een grotere zelfstandige verantwoordelijkheid die het prima aankan. Iedereen heeft behoefte aan een rolverduidelijking om tot een efficiëntere besluitvorming te komen.

Met het heldere voorstel kan de notaris zo aan de slag. In de bestuursvergadering volgt uitleg door de notaris, met als resultaat dat de meeste voorstellen worden overgenomen. Vervolgens kan de governancecommissie de bijpassende nieuwe reglementen gaan opstellen. Daarmee wordt een van haar adviezen: ‘maak een praktisch document waarin alle reglementen van alle gremia zijn opgenomen’ direct tot uitvoer gebracht.

Zo is er in een maand of tien een samenhangend proces doorlopen met opnieuw gedefinieerde rollen, een geëvalueerde structuur, geactualiseerde statuten en een compleet logisch opgezet reglement Goed Bestuur als resultaat.

Praktische tips

  1. In soms lastige fusieprocessen worden statuten wel gebruikt om het eigene te beschermen of risico’s vergaand af te dekken. Vaak levert dit een ingewikkelde juridische vormgeving of gedetailleerde statuten en reglementen op. Soms is dit op dát moment nodig om de achterban in het fusieproces voldoende comfort te bieden.
    Daarom is het raadzaam om bijvoorbeeld vier jaar later, als de gefuseerde organisatie als vanzelfsprekend wordt ervaren, de statuten nog eens te herzien en de artikelen waar gestold wantrouwen uit spreekt tegen het licht te houden.
  2. Maak duidelijk onderscheid tussen formele zeggenschap/statutaire bevoegdheden en het hebben van invloed. Een dichtgeregelde organisatie is niet vanzelfsprekend een organisatie van betrokkenheid en participatie. Dat is een kwestie van cultuur.
  3. Gebruik een traject van actualiseren van de statuten ook voor een analyse met de betrokkenen in de topstructuur waarin (coöperatie)bestuur, commissarissen en directie gezamenlijk optrekken.
  4. Benoem in de aanhef van (beleids-)plannen welk besluitvormingstraject gevolgd wordt en waar de verschillende bevoegdheden uitgeoefend zullen worden. Als leden (in een ALV bijeen) geen bevoegdheid hebben, wees daar dan duidelijk in en geef aan waarom en hoe hun inbreng wel invloed heeft.

5. Betrokkenheid van zorgverleners i.c. huisartsen

De veelvoorkomende vorm van coöperatie met een (holding) BV

Het betrekken van zorgverleners, in dit geval huisartsen, bij de organisatie vindt iedere bestuurder en toezichthouder belangrijk. De wijze waarop is voor velen een puzzel. Om het adagium ‘van voor en door’ echt gestalte te geven, vraagt dit om een analyse van de betrokkenheid per niveau en per onderdeel. Om vervolgens de vertaling naar de inrichting van de organisatie te maken. Bij het beschrijven van de betrokkenheid van huisartsen maken we een onderscheid tussen belang en bedrijf. In de veel voorkomende vorm van coöperatie als aandeelhouder van de BV(‘s) is dit onderscheid goed te benoemen. De coöperatie is bij uitstek een rechtspersoon waarin de sturing en besluitvorming (zeggenschap) bij de leden ligt die een economisch belang hebben bij de bedrijfsvoering.

Voor de BV, het bedrijf, is het faciliteren van de huisartsen bij het uitoefenen van hun vak de hoofdtaak. Bijvoorbeeld bij het verlenen van chronische zorg (ketens), in de praktijkvoering en samenwerking (O&I) of bij het leveren van spoedzorg, waar praktijkhoudend huisartsen op individueel niveau contractueel verantwoordelijk voor zijn.

Het is logisch dat huisartsen, die als professionele beroepsgroep een stevige binding hebben met de inhoud van hun vak, naar zeggenschap verlangen over de wijze waarop de facilitaire ondersteuning wordt ingericht en uitgevoerd. Het is ook logisch dat het coöperatiebestuur zich vanuit zijn rol als aandeelhouder vooral bezighoudt met strategie en de hoofdlijnen. De operationele uitwerking laat het coöperatiebestuur aan anderen. Deze logica is echter lang niet altijd gemeengoed.

Hoe het werkt: rolvastheid in coöperatie met een (holding) BV

Om deze complexe structuren goed te laten werken, is een bepaalde rolvastheid van actoren noodzakelijk. In veel gevallen zijn de huisartsen de leden van een coöperatie en fungeert de coöperatie als aandeelhouder van een holding BV. De coöperatie wordt bestuurd door een coöperatiebestuur. De taak van dit bestuur is tweeledig:

  1. het besturen van de coöperatie;
  2. het vervullen van de rol van aandeelhouder voor de holding.

Wettelijk gezien is de aandeelhouder de eigenaar van de holding, maar deze heeft normaliter een beperkte taak en is niet verantwoordelijk voor de activiteiten die in de holding plaatsvinden (behoudens de begrenzing zoals hierboven geschetst). In veel gevallen wordt de holding BV bestuurd door een niet-huisarts, die juist is aangesteld vanwege zijn bestuurlijke capaciteiten. Deze bestuurder wordt vaak directeur genoemd (statutair directeur). Deze directeur runt de activiteiten binnen de holding BV, is daar eindverantwoordelijk voor en legt verantwoording af aan de interne toezichthouders en de aandeelhouders. In principe voert hij het beleid uit dat met deze gremia is afgesproken in een (meerjaren)plan. Tot zover de theorie.

Overzicht van de structuur in de top

In de praktijk wil de aandeelhouder (huisartsen in de rol van coöperatiebestuur) zeer regelmatig op detailniveau geïnformeerd worden over de voortgang van lopende zaken. Gezien hun rol ten opzichte van de leden van de coöperatie – hun collega-huisartsen – is dit te billijken. Echter vaak stelt het bestuur van de coöperatie zich op als medebestuurder. Naast het feit dat dergelijk gedrag leidt tot verwarring, onduidelijke besluitvorming en verstarring in organisaties, ontstaat ook het risico dat het coöperatiebestuur bij wanbeleid als medeverantwoordelijk wordt gezien[5]. Het zal duidelijk zijn dat belang en bedrijf op deze wijze vermengd raken. De bekende ‘pettenproblematiek’.

Rolvastheid: beginnen bij het begin, het huisartsenperspectief

Ook de huisarts moet onderscheid maken in de verschillende rollen. Als lid van de coöperatie staat hij op een behoorlijke afstand van het bedrijf, terwijl hij als deelnemende huisarts (door middel van de aansluitovereenkomst) en als uitvoerder van het beleid van het bedrijf (in de huisartsenpost het meest nadrukkelijk) juist een heel belangrijk onderdeel hiervan uitmaakt. Als hij zich met vragen of ongemak wendt tot het coöperatiebestuur, is hij in feite aan het verkeerde adres.

Vrijwel nooit heeft de directie van de holding een directe juridische relatie met de huisartsen als lid van de coöperatie. Tegelijkertijd heeft de directie wel een directe relatie met de huisartsen als de zorgverleners van de spoedzorg, de chronische zorg en de gebruikers van faciliteiten ten behoeve van het uitvoeren van hun vak. Op dit niveau heeft de directie de zeggenschap van de huisartsen te organiseren! Daar dienen huisartsen inzicht en invloed te hebben op de te maken (beleids-)keuzen en zich gehoord te weten.

Deze relatie met huisartsen binnen het bedrijf (de holding) kan op veel manieren vorm krijgen. We (her-)kennen dit al in de activiteiten van kaderartsen, commissies verbonden aan de huisartsenposten of financiële commissies van huisartsen om de collectieve afspraken te beoordelen op de effecten in de praktijkvoering.

De volgende zaken zijn van belang voor het creëren van duidelijkheid:

  • Het gaat om (mede)zeggenschap binnen het bedrijf, dat betekent het adviseren van de RvB/directie.
  • Er dient vastgelegd te worden waar men al dan niet over gaat en hoe de directie met een advies dient om te gaan (vergelijkbaar met de OR).
  • De commissies/werkgroepen worden geacht goed op de hoogte te zijn van het strategische beleid, zoals respectievelijk goedgekeurd en vastgesteld door de RvC en aandeelhouders (de kaders).
  • De directie ontwikkelt met de commissies een gezamenlijk afwegingskader (meewegen bedrijfsbelang, omgaan met eigen praktijkbelangen).
  • De commissies worden gepositioneerd als gezaghebbende organen.

Taak voor het coöperatiebestuur

Wat moet het coöperatiebestuur dan nog met zijn leden? Zoals gezegd heeft de coöperatie een economisch belang en zeggenschapsbelang die in het bedrijf vorm krijgen. Het coöperatiebestuur geeft hier invulling en uitvoer aan. Zij zorgt er bijvoorbeeld voor dat:

  1. De leden met de meeste competenties en ervaring in de commissies zitten zodat de adviezen van hoog niveau zijn en niet te negeren.
  2. De leden betrokken zijn bij de strategie en deel uitmaken van het denkproces.

Voor een coöperatiebestuur is van belang dat zij de leden goed kennen, dat zij hen scholing en training aanbieden voor functies in de commissies, en dat zij vroegtijdig anticiperen op een nieuwe strategie door het organiseren van ledenbijeenkomsten, enquêtes, hagro-bezoeken etc.

In feite faciliteert het bestuur hiermee het eigen bedrijf tot een succesvolle onderneming die als ‘van, voor en door’ ervaren wordt. En heeft een directie een onderneming waar het creëren en onderhouden van draagvlak een vanzelfsprekend gegeven is.

Voorbeeld scholing en training

We weten dat voor functies in het coöperatiebestuur, in het bestuur van de BV/Holding of in werkgroepen en commissies huisartsen nodig zijn. In een huisartsenorganisatie met een brede portfolio midden in het land is daar goed over nagedacht. Immers deze posities zijn allemaal verschillend en vragen om verschillende competenties. Het besef leeft dat huisartsen bestuurlijk competent behoren te zijn om op de verschillende bestuurlijke posities te kunnen functioneren.
In 2017 is een brede interne introductiecursus over bestuur en organisaties aangeboden. Huisartsen, praktijkhouders en niet praktijkhouders, waren welkom. Tot op de dag van vandaag zitten er nog mensen uit die 6-daagse cursus op bestuurlijke functies. Voor degenen die in het nieuwe coöperatiebestuur wilden stappen, waren er aanvullende leergangen buiten de organisatie. Anderen kregen de ruimte om specifiek leiderschap in besturen te trainen. Vijf jaar verder, wordt de brede interne introductiecursus over bestuur en organisaties weer aangeboden. Door het gedifferentieerde aanbod dat regelmatig herhaald wordt, wordt ook rechtgedaan aan de verschillende competenties voor de verschillende functies.

We onderscheiden leiderschap dat nodig is in: klinisch leiderschap, medisch leiderschap en bestuurlijk leiderschap door medici. In het algemeen is binnen de beroepsgroep het klinisch leiderschap (de huisarts als opleider of kaderarts) goed geborgd. Het wordt al lastiger met medische leiders, die vanuit het vak de verbinding met de bestuurskamer moeten kunnen maken en daarbij niet in de belangenbehartiging blijven steken. Het is aan de medische leiders om het verbeteren van zorg in de bestuurskamer op de agenda te houden. De nog verdergaande rol, het bestuurlijke leiderschap, is schaars onder huisartsen. Bestuurlijke leiders hebben een adviserende en een maatschappelijke rol. Regelmatig spreken medische en algemeen bestuurders uit dat zij zich zorgen maken over de invulling van deze rollen in de toekomst.
Met kennis van bestuur door huisartsen en een goed intern scholingsprogramma ligt er in ieder geval een goede basis.

Voorbeeld strategie opstellen door leden

De Raad van Bestuur (RvB) van een huisartsenorganisatie wil in het kader van de O&I een regioplan opstellen dat kan rekenen op voldoende draagvlak onder de huisartsen. In het verleden werden dergelijke strategische plannen vooral opgesteld en getoetst met het huisartsen coöperatiebestuur, maar daarmee is een draagvlak nog niet vanzelfsprekend, blijkt uit ervaring.

De RvB heeft behoefte aan voldoende inbreng van huisartsen bij het ontwikkelen van een plan, zonder dat het coöperatiebestuur al bij voorbaat gebonden is aan de uitkomsten. Zij behoort de handen vrij te houden om het plan op zijn eigen merites te beoordelen ‘aan het eind van de rit’.
De organisatie kent een adviesraad. Deze raad wordt als basis genomen bij het formeren van een werkgroep. Met het oog op een brede vertegenwoordiging vanuit de achterban worden daar een paar mensen aan toegevoegd. Samen met externe deskundigen en een intern beleidsmedewerker moet dit gezelschap in vijf maanden tot resultaat komen.
De opdracht hiertoe wordt op de eerste bijeenkomst geformuleerd. De regioplanwerkgroep, het coöperatiebestuur en de RvB zijn hierbij aanwezig. Tijdens deze gezamenlijke avond worden tevens de landelijke ontwikkelingen, visies van elders en het inkoopbeleid van de zorgverzekeraar gedeeld. Dit leidt tot het definiëren van thematiek en kaders die voor deze organisatie in deze regio van belang zijn.

Zo gaan 18 huisartsen, verdeeld over het werkgebied, om de week een avond met een van de centrale thema’s aan de slag in een overzichtelijke en strakke methodiek[6]. Op deze manier lukt het om 7 thema’s te behandelen. Vervolgens wordt uit de groep een begeleidend schrijfgroepje samengesteld dat het proces van 7 thema’s naar een regioplan begeleidt. Dan volgt een presentatie aan de RvB/directie, waarbij het coöperatiebestuur als toehoorder de gelegenheid krijgt om informatieve vragen te stellen.
Dat is het moment waarop de werkgroep het regioplan overdraagt aan de RvB en deze de sturing over het proces weer overneemt. Vanuit zijn rol voert de RvB nog wat veranderingen door (bijv. over de substitutie noodzakelijk vanwege tussentijdse afspraken met het ziekenhuis). Bovendien is het aan de RvB om naar financiële consequenties en de haalbaarheid in tijd te kijken (prioritering). Daarmee is het regioplan compleet en wordt deze conform regelgeving voorgelegd aan toezicht en AVA. Gezien het gewicht van het plan besluit het coöperatiebestuur er een ALV aan te wijden, waarin zij de mening van de leden ophaalt. In die ALV blijken de 18 werkgroepleden zich het plan al zo eigen gemaakt te hebben dat ze het met verve uitleggen aan de collega’s.

Wat ging hier goed? Zowel de RvB als het coöperatiebestuur hebben de moed gehad om het voorbereidende proces los te laten en de werkgroep een eigen speelveld te geven.
De combinatie van externe deskundigheid en een interne beleidsmedewerker werkte heel productief, zowel bij het opstellen van de notities als in de communicatie naar de eigen organisatie. Bestaand beleid werd soepel ingevoegd in de werkgroep en op hoofdlijnen werden de organisaties (en RvB) op de hoogte gehouden over de voortgang door de interne beleidsmedewerker.

Wat ging minder goed? De communicatie met de achterban werd weliswaar gefaciliteerd (inhoud werd steeds aangeleverd), maar bleek toch nog te weinig structureel opgepakt. Toen ook corona zich aandiende, is besloten om voor de centrale presentatie per hagro nog een digitale sessie te organiseren. Daarbij bleek toch dat veel van de inhoud niet doorgekomen was.

Wat leren we? Als de participatie van de hele achterban een van de doelstellingen is, moet dit nog veel breder ondersteund worden. In dit geval is het te veel aan de werkgroepleden zelf overgelaten. Voorstelbaar is dat dit nu door de toegenomen mogelijkheden van digitaal overleg eenvoudiger en efficiënter ingezet zou kunnen worden.

Praktische tips

  1. Werk planmatig. Het opstellen van een strategisch plan komt niet uit de lucht vallen. Het betrekken van de achterban vraagt veel organisatiekracht. Als dat de wens is, behoeft dit een projectmatige aanpak.
  2. Bij het betrekken van de achterban moet duidelijk zijn wie de opdrachtgever is. In bovenstaand voorbeeld was dat de Raad van Bestuur/directie, maar ook het coöperatiebestuur kan de opdrachtgever zijn. In het eerste geval gaat het om de huisarts als deelnemer in het bedrijf, in het tweede geval om de huisarts als lid. Voor het resultaat hoeft het niet uit te maken (betrekken van achterban), maar voor de rolverdeling tijdens het proces en in de besluitvorming wel.
  3. Geef aan welke bevoegdheden in welke fase van de planvorming van toepassing zijn. De regioplannen zoals deze momenteel door veel zorgverzekeraars verlangd worden, zijn strategische plannen. In de meeste gevallen (zie statuten) is hiervoor een vaststelling door de aandeelhouders voor nodig.
  4. Veel coöperatiebesturen zullen hun achterban in een ALV willen informeren of raadplegen alvorens zij hun oordeel geven over dergelijke plannen. Als de leden in deze geen bevoegdheid hebben (wat in veel gevallen zo zal zijn), dan kun je dit zien als een peiling van het draagvlak. Laat een ledenvergadering niet stemmen over een plan wanneer zij hiertoe in feite geen bevoegdheid hebben.
  5. Stel een scholingsplan ‘bestuur en organisatie’ op in een cyclus van vier jaar, als onderdeel van het gebruikelijke beleid. Voor kleinere organisaties is het mogelijk interessant om dit samen met anderen te doen.

Voetnoten


[1] publicatie van InEen over de Wtza

[2] Prima Cura,Tilburg; Hadoks, Den Haag; Eemland Amersfoort; Unicum ZOU en Lekstroom Utrecht; HZW Zaanstreek Waterland met SEZ en HZW-huisartsenposten. In de regio West-Brabant hebben drie zorggroepen gezamenlijk de huisartsenpost in de geleding opgenomen.

[3] Leiden e.o.; Huisartsen coöperatie Zeeland; Huisartsenposten Schievliet; Zeeland; NEO in Nijmegen.

[4] Bekijk de Handreiking voor het betrekken van alle huisartsen op hechtehuisartsenzorg.nl.

[5] Husselman; Goed bestuur pag. 183-186

[6] Het werkritme per thema is daarbij als volgt: aangeboden literatuur/voorbeelden van elders doornemen; vrij debat, vaak in groepjes; gezamenlijk samenvatten; Resultaat: notitie geschikt om met achterban (hagro, gezondheidscentrum, collega) te delen of in een overleg of via mail; Terugkoppeling op notitie; verwerking in de tekst. De volgende bijeenkomst begint dan met het vaststellen van de notitie.

Zorg hoort persoons­gericht te zijn: onze patiënt én zijn context.

De zorggroep initiëerde scholing voor onze huis­artsen, POH’s en assistenten.

Leonie Tromp

Huisarts, medisch directeur Primacura Tilburg